Schriftelijk Overleg over multilateraal instrument belastingontduiking

Het multilateraal instrument (MLI) is bedoeld om belastingontduiking tegen te gaan. Bestrijden van belastingontduiking is de VVD voor, maar er moet wel gekeken worden wat voor effect maatregelen hebben op het gros goedwillende ondernemers. Daarom moet er zeker een duidelijke evaluatie van het MLI komen waarin ons vestigingsklimaat wordt meegenomen. Aukje de Vries stelde namens de VVD de volgende vragen over dit MLI.

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van de brief over het Multilateraal instrument (MLI) BEPS en hebben daarover nog een aantal vragen. Naast de aanpak van belastingontwijking, vindt de VVD het belangrijk om ook het vestigings- en investeringsklimaat in het oog te houden. Want uiteindelijk gaat het vaak om veel werkgelegenheid en banen in Nederland.

Welke landen doen allemaal mee aan MLI en vooral welke belangrijke landen doen niet mee? Klopt het dat de Verenigde Staten niet meedoen? Zo ja, waarom niet en wat zijn daarvan de gevolgen? Wat zijn de gevolgen voor de concurrentiepositie van Nederland dat een belangrijk land als de VS en eventuele andere landen niet meedoen met MLI?

Welke keuzes maken de verschillende landen die deelnemen aan MLI, bijvoorbeeld als het gaat om de minimum standard tegen verdragsmisbruik (een Principal Purpose Test ( (PPT) of een combinatie van een Limitation On Benefitsbepaling (LOB) met een PTT of LOB met een anti-doorstroombepaling, maar ook andere zaken. Graag een totaaloverzicht.

De VVD kan de keuze voor PPT overigens wel onderschrijven, want het werkt het beste en die keuze lijken veel meer landen te maken. Kan de regering garanderen dat als een ander land iets anders kiest dan een PPT, Nederland in de onderhandeling daarna dan niet mee zal instemmen? Zo nee, waarom niet en in welke gevallen zou Nederland daar onverhoopt wel van willen afwijken?

Waar en hoe wijken de afspraken in het MLI van de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2011? Graag een uitgebreide en gedetailleerde toelichting (per onderdeel). Wat zijn de verschillen tussen de huidige keuzes van Nederland als het gaat om actiepunt 6 (verdragsmisbruik) en 7 (vaste inrichtingen)? Wat zijn de gevolgen van de afwijkingen voor het bedrijfsleven? Ook hier graag een uitgebreide toelichting per onderdeel.

De leden van de VVD lezen dat Nederland al aan de minimum standard voor geschilbeslechting voldoet (actiepunt 14). Wat zijn de exact de verschillen en wat zijn de gevolgen daarvan? Niet alle landen hebben hetzelfde ambitieniveau volgens de regering als het gaat om bindende arbitrage. Welke landen maken een andere keuze en waarom?

Verder lezen de leden van de VVD dat de MLI vooral de implementatie van bestaand verdragsbeleid is. Kan de regering dat toelichten. Waar zitten eventueel de verschillen? De verdragsgerelateerde BEPS - maatregelen zullen (vrijwel geheel) deel uitmaken van het gewijzigde OESO Modelverdrag dat per 2017 zal gelden. Wat zijn de verschillen gelet op de term “vrijwel geheel”? Waar en hoe wijkt MLI af van de huidige versie van het modelverdrag OESO?

In de brief wordt aangegeven dat Nederland zoveel mogelijk verdragen onder de werking van MLI wil brengen. Waarom wordt er niet voor gekozen alleen die verdragen onder MLI te brengen van landen die meedoen aan de uitwerking van de BEPS - actiepunten en/of MLI? Wat is het effect hiervan op de onderhandelingspositie van Nederland?

Klopt het dat MLI feitelijk een tijdelijke werking heeft? Zo nee, waarom niet? Klopt het dat je bij een heronderhandeling van een verdrag weer andere dingen kan afspreken?

De leden van de VVD-fractie lezen dat er ook nog overige verdragsgerelateerde BEPS - maatregelen zijn met betrekking tot BEPS - actiepunt 2 (hybride mismatches) en BEPS - actiepunt 6 (verdragsmisbruik). Wat is de relatie met MLI? Waarom is dit hier opgenomen?

Waar verschillen de hier genoemde zaken bij BEPS - actiepunt 2, 6 en 14 van de huidige Nederlandse lijn? Wat zijn de gevolgen voor het bedrijfsleven?

Momenteel is per belastingverdrag geregeld waar BV/NV’s met bestuurders van verschillende woonplaatsen en nationaliteiten worden belast (bijv. bij een Franse en Nederlandse bestuurder in een BV). Met dit OESO - actiepunt gaan landen dat voortaan in onderling overleg uitmaken en dat levert onzekerheid en onduidelijkheid op bij het opstarten van een BV, terwijl dat nu wel helder is waar belasting wordt betaald in de bilaterale verdragen. Ook kan het makkelijker leiden tot dubbele belasting omdat beide landen van de bestuurders dan willen heffen of lang moeten overleggen. Dat blijkt ook uit de praktijk, het enige land waarmee we dit nu zo doen is het VK. Dat heeft eerder in de Kamer (die dat niet meer wil) al geleid tot gedoe, omdat vaak beide landen dan willen heffen of er lang overdoen om onderling te bepalen waar de belasting moet worden betaald. Dat geeft onzekerheid en extra belasting voor ondernemers. Er zijn nogal wat voorbeelden van een BV met bijvoorbeeld een Britse en Nederlandse bestuurder waar dan lange tijd niet helder is waar belasting moet worden betaald, waardoor ze per saldo in beide landen betalen (omdat ze dan geen beroep kunnen doen om de clausule van geen betalen van dubbele belasting in het bilaterale belastingverdrag). Waarom wordt er hier dan toch voor gekozen? In hoeverre is dit een verslechtering ten opzichte van de huidige praktijk in bilaterale verdragen en dus onwenselijk?

In het ATAD pakket zijn ook al afspraken gemaakt over hybride mismatches. In hoeverre wijken deze af van het nu voorgestelde? Wat is daarvan de reden? Wat zijn daarvan de gevolgen? Wat mankeerde er aan de eerdere afspraken?

Kan er bij actiepunt 6 een voorbehoud worden gemaakt voor landen waarmee we al een goed belastingverdrag hebben met anti - misbruikbepaling? Zo nee, waarom niet? Wat is daar op tegen?

Over welke punten is over de specifieke uitwerking overeenstemming in OESO - verband en welke niet? Klopt het dat over de uitwerking van de actiepunten 2 en 6 in OESO - verband nog geen overeenstemming is? Zo ja, waarom worden er punten opgenomen waarover in OESO - verband geen overeenstemming/consensus is?

Eerder heeft de regering de toezegging gedaan bij de invoering van de GAAR/main purpose test in de moeder – dochter - richtlijn om dit nader te verduidelijken wat nu precies wordt verstaan onder gebruik en misbruik van de richtlijn en/of het verdrag. Kan dat alsnog gedaan worden? In hoeverre kan er in volstrekt normale situaties toch discussie ontstaan? Kunt In hoeverre is dat goed/slecht het investeringsklimaat van Nederland?

Indien andere grote of concurrerende landen heel andere keuzes maken, kan Nederland dan de keuze daarop nog aanpassen? Is Nederland bereid om dat dan ook te doen? Zo nee, waarom niet?

Wat zijn de effecten van de MLI op ons vestigingsklimaat? Wanneer wordt de MLI geëvalueerd?

In hoeverre gaat MLI ook gelden voor de andere landen van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao of St. Maarten)? En in hoeverre gaat MLI ook gelden voor de BES - eilanden?

Waarom kiezen niet alle deelnemende landen ervoor alle verdragsgerelateerde BEPS - maatregelen via MLI te implementeren? Welke landen niet en om welke maatregelen gaat het dan?

Klopt het dat er op 24 november jl. al een akkoord is bereikt en ondertekend door de landen met betrekking tot MLI? Wat is dan nog de rol en positie van de Tweede Kamer? Welke ruimte is er nog op zaken aan te passen?

Wanneer komt de goedkeuringswet over de MLI naar de Tweede Kamer? Waarom wordt er naast de belastingontwijking niet ook gesproken over het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat, waarvoor de belastingverdragen toch ook een belangrijk element zijn?

Wat zijn de argumenten voor de aanpassing van de inwonersbepaling? Hoe ziet het kabinet dit in relatie met de tiebreaker regel? Waren er problemen met betrekking tot de werking van de tiebreaker regel, zo ja welke? Hoe wordt complexiteit ingeschat om het nieuwe systeem te implementeren? Is er rekening mee gehouden dat landen verschillende meningen hebben over wanneer een vennootschap inwoner is? Zo ja, hoe worden die internationale verschillen bezien in het kader van de wenselijkheid- en uitvoerbaarheid van de aanpassing van de inwonersbepaling?