Vragen over BTW Waddenveren

In het Belastingplan 2018 wordt voorgesteld de vrijstelling door een btw-nultarief voor zeeschepen te schrappen. De Europese Commissie heeft Nederland aangesproken op de redactie van dit nultarief, het zou te ruim geformuleerd zijn. Het schrappen van het btw-nultarief heeft vooral gevolgen voor de Waddenveren. Waarschijnlijk zal er daardoor op de kaartjes 6% btw geheven gaan worden. VVD Tweede Kamerlid Aukje de Vries heeft in het kader van het Belastingplan 2018 hierover een groot aantal vragen gesteld.

9.2. Aanpassing tariefbepalingen omzetbelasting met betrekking tot zeeschepen

In Nederland gold tot nu toe een vrijstelling door een btw-nultarief voor zeeschepen. De Europese Commissie heeft Nederland aangesproken op de redactie van het nultarief, het zou te ruim geformuleerd zijn. In hoeverre is Nederland straks roomser dan de paus? Hoe is dit in andere EU-lidstaten geregeld? Hoeveel BTW betalen Griekse en Italiaanse veerboten en hoe ziet de regeling er daar uit? En hoe is een en ander geregeld met betrekking tot de Waddenveren naar de Duitse en Deense eilanden? Zijn de gehanteerde percentages voor alle lidstaten hetzelfde, of biedt de Europese regelgeving ruimte? Klopt het dat in bijvoorbeeld Italië 70% wordt gebruikt in tegenstelling tot Nederland dat nu 90% gaat hanteren voor het gebruik op volle zee? Waarom is 90% gekozen? Hoe is de btw voor veerdiensten geregeld in het buitenland? Zijn er voorbeelden van zeeschepen die niet op volle zee varen en die toch in aanmerking komen voor het nultarief in andere landen? Waarom wordt niet aangesloten bij de fiscale definitie van zee, zoals de voor de tonnageregeling geldende laagwaterlijn (artikel 3.22, lid 12, Wet IB 2001)? Wat zouden de gevolgen daarvan zijn?

Wat heeft de Europese Commissie over dit onderwerp richting de Regering precies aangegeven? Wat zouden de gevolgen kunnen zijn van een inbreukprocedure, zoals wordt aangegeven in de wet? Op basis waarvan wordt gedacht dat er een inbreukprocedure zal worden gestart? Is Nederland het enige land in de EU dat een vrijstelling heeft vormgegeven in de vorm van btw-nultarief? Zo nee, welke andere landen maken gebruik hiervan en op welke wijze wordt dat in die landen gewerkt aan een aanpassing? Op grond waarvan is de stelling dat inhoudelijk de gevolgen van deze wijziging beperkt zal zijn, kan dit nader onderbouwd worden? 

In de Memorie van Toelichting wordt aangegeven dat de gevolgen voor de scheepvaart beperkt zijn. Kan de Regering dat onderbouwen, aangezien VNO NCW deze stelling niet onderschrijft? Op hoeveel schepen dan wel op hoeveel procent van de schepen gaat het nultarief straks niet meer toegepast kunnen worden?  Waarom is opgenomen dat het gaat om de 12-mijlszone van land, want daarmee lijkt het te gelden voor de zone vanaf ieder land? Welk overleg heeft er met de scheepvaartsector plaats gevonden? En wat is daaruit gekomen? Wat zijn de administratieve lasten voor de scheepvaartsector?

Waarom is niet gekozen voor de term “hoofdzakelijk”, maar voor het zwaardere criterium van “geheel” of “nagenoeg geheel”? 

Er zou volgens de EC de eis gesteld moeten worden dat de zeeschepen in de vrijstelling ook daadwerkelijk gebruikt moeten worden voor de vaart op volle zee. Wat is het verschil tussen “volle zee” en “open zee? In hoeverre is dit verschil relevant voor de benadering in de btw-regelgeving?  Want de Waddenzee is blijkbaar geen “volle zee”, maar de Advocaat-Generaal van het Europees Hof van Justitie heeft eerder toch aangegeven dat er wel sprake was van “open zee”? Wat zouden de gevolgen (positief en negatief) zijn als de Waddenzee “volle zee” is? 

Wat zijn de gevolgen van deze btw-maatregel voor de Waddenveren? Wat zijn de gevolgen voor de eilandbewoners en de tarieven voor de boot? Wat zijn de gevolgen voor het toerisme op de Waddeneilanden? Is hiernaar onderzoek verricht? Is er onderzoek verricht naar de consequenties voor de ondernemers die veerdiensten verrichten tussen de Waddeneilanden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is er uit gekomen? Welke opties zijn er allemaal verkend?

Wat zijn de netto financiële gevolgen van de maatregel voor de betrokken rederijen, want als gekozen wordt voor 6% btw op de kaartjes, dan kan men de 21% btw wel aftrekken? En wat betekent dit dan voor de prijs van het kaartje? Klopt het dat aangezien de budgettaire effecten van de maatregel 3 miljoen euro zijn, de rederijen die als netto financieel effect hebben en dus de kosten ook zoveel zouden kunnen gaan stijgen? 

Welke mogelijkheden zijn er voor de reders in de concessie om de prijzen voor  bootkaartjes wel of niet te verhogen, ook als het gaat om gewijzigde fiscale wet- en regelgeving? En welke mogelijkheden hebben de reders specifiek op basis van deze btw-maatregel om de prijzen voor de bootkaartjes extra te verhogen? Wat betekent concreet de zinsnede in de concessie “Gevolgen van wijzigingen in wet- en regelgeving (op gemeentelijk, nationaal, supranationaal en internationaal niveau) zijn voor rekening en risico van de concessiehouder”?  Valt de btw-maatregel daar ook onder? In hoeverre is dit in alle concessies zo geregeld?

Welke compensatiemogelijkheden zijn er als de bootkaartjes wel duurder zouden worden door deze btw-maatregel? Welke mogelijkheden voor compensatie zijn er overwogen door het Kabinet?

In hoeverre heeft er tijdig overleg plaats gevonden met de bestuurders van de Waddeneilanden, de betrokken rederijen (TESO, Wagenborg, Doeksen) en de reizigers? Wanneer en hoe zijn zij geïnformeerd over de voorstellen? Welk overleg heeft er met deze partijen plaats gevonden?

Welke regeling gaan de rederijen waarschijnlijk kiezen, de toegestane regeling (vrijgesteld personenvervoer zonder aftrek van voorbelasting) of de wettelijke regeling (personenvervoer belasting naar het verlaagde btw-tarief met aftrek van voorbelasting?

Wat zijn de gevolgen van de maatregel voor de schepen die recent zijn aangeschaft en/of besteld door de rederijen voor de Waddenveren? Hoe zit het dan met de btw? En in hoeverre is er sprake van een overgangsregeling? Waarom is er niet gekozen voor een overgangsregeling?

In de artikelsgewijze toelichting staat dat in het zogenoemde btw-Comité dat raadgevend is over de uitvoering van de bepalingen van de btw-richtlijn 2006, de diensten van de Europese Commissie en bijna alle lidstaten het er in dit opzicht over eens waren dat het schip daadwerkelijk en overheersend moet worden gebruikt voor de vaart op volle zee. Wat was het standpunt van Nederland destijds? Waarom was dit het standpunt? In hoeverre is in dit standpunt rekening gehouden met de gevolgen voor de Waddenveren? Klopt het dat Europese Commissie zelf nog geen uitspraak heeft gedaan, aangezien het hier gaat over “de diensten” van de EC? Om welke “diensten” gaat het dan en wat is hun status c.q. bevoegdheid?

Bij deze aanpassing wordt ook een nieuwe vormgeving van de tariefbepalingen luchtvaarttuigen voorgesteld. Wat zijn daarvan concreet de gevolgen? In hoeverre is dit noodzakelijk vanuit de EC? Welk overleg heeft hierover plaats gevonden met vliegmaatschappijen en vliegvelden?

Kan nader worden toegelicht tot welke gevolgen de aanpassing van de Wet OB 1968 voor de CCV’s zal hebben? Is hier onderzoek naar verricht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is er uit gekomen? Om hoeveel gaat het dan of kan het gaan?

 

Kan worden aangegeven hoe deze maatregel in combinatie met de gewijzigde Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV) invloed heeft op de concurrentiepositie van de Nederlandse maritieme sector inclusief de Nederlandse zeehavens?

 

Kan nader worden toegelicht tot welke gevolgen de aanpassing van de Wet OB 1968 voor de luchtvaartuigen (incl. de leveringen etc.) zal hebben? Is hier onderzoek naar verricht? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is er uit gekomen?