Derivaten: meer regels niet de oplossing

Instellingen die met geld van de Nederlandse belastingbetalers worden gefinancierd, moeten geen onverantwoorde risico’s nemen. Sommige instellingen en bestuurders hebben daarin gefaald als het ging om derivaten, wisten niet waar ze mee bezig waren of namen te grote risico’s. Derivaten kunnen echter heel nuttige instrumenten zijn voor het beheersen van risico’s. Je moet dan wel weten wat je doet. Toezichthouders en bestuurders zijn daar eerst verantwoordelijk voor. En als die falen, moeten ze aangepakt worden. De VVD is van mening dat meer regels zeker niet de oplossing is. De cultuur en kwaliteit van alle spelers (bestuurders, toezichthouders en accountants) verdient meer aandacht.

Debat >>>

Bijdrage VVD: De laatste jaren hebben er regelmatig incidenten zoals Amarantis en Vestia plaatsgevonden waar bestuurders met publiek geld onverantwoorde risico’s hebben genomen. Dit bepaalt het beeld van derivaten. Instellingen die met geld van de Nederlandse belastingbetalers worden gefinancierd, moeten geen onverantwoorde risico’s nemen. Spelen met geld van de belastingbetaler kan natuurlijk niet. Derivaten hebben hierdoor een slechte naam gekregen. Maar derivaten zijn geen slechte producten. Derivaten kunnen zelfs heel nuttige instrumenten zijn voor het beheersen van risico’s. Het lijkt slecht in deze tijden van lage rente, maar het beeld is totaal anders in tijden van oplopende én hoge rente. Als het positief werkt en geld bespaart, dan hoor je er niemand over, we verklaren de organisaties die het niet deden dan waarschijnlijk zelfs voor gek.

Maar je moet wel weten wat je doet. Derivaten zijn vaak complex en vragen meer van de beheersomgeving. Sommige instellingen en bestuurders hebben daarin gefaald, wisten niet waar ze mee bezig waren of namen te grote risico’s. Instellingen die met geld van de  Nederlandse belastingbetaler worden gefinancierd, moeten geen onverantwoorde risico’s nemen. In principe is het gebruik van derivaten allereerst de eigen verantwoordelijkheid van organisaties. Maar er gaat echter het nodige mis mét publiek geld. Toezichthouders en bestuurders zijn daar eerst verantwoordelijk voor. En als die falen, moeten ze aangepakt worden.

De VVD is van mening dat meer regels zeker niet de oplossing is. De cultuur en kwaliteit van alle spelers (bestuurders, toezichthouders en accountants) verdient meer aandacht. Het geblunder zoals bij Vestia en Amarantis schaadt het vertrouwen van de burger. De betrokken organisaties moeten zelf ook de handschoen oppakken en aantonen dat zij op professionele en integere wijze verantwoordelijkheid nemen en ten dienste staan van de maatschappij.

De VVD vindt dat je derivaten alleen moet gebruiken voor het verminderen van risico’s en met een goede beheersomgeving. De bestaande rapportages, met name de jaarrekening, zouden voldoende informatie moeten bevatten voor toezichthouders over financiële posities, risico’s, governance en control. De verslagleggingregels zijn internationaal en nationaal vastgelegd. Zijn die voldoende? Is de controle van de accountants voldoende? De VVD wil van de minister weten of hij nog specifieke acties richting accountantsorganisaties onderneemt en of hij aanleiding ziet om nationale verslaggevingregels en wetgeving te evalueren op dit punt.

De minister komt nu met een overkoepelend beleid. De VVD kan zich in grote lijnen vinden in het beleid, maar zij vraagt zich af of de lijst waar de minister mee wil gaan werken niet teveel beperkingen in de hand werkt? Graag een reactie van de minister. De VVD vindt ook dat in de brief te weinig aandacht wordt besteedt aan de corporate governance van semi-publieke instellingen. Want je kunt nog zoveel regels opstellen uiteindelijk valt of staat alles bij de bij de cultuur en kwaliteit van een organisatie. Kan de minister aangeven of hij de corporate governance van semipublieke instellingen voldoende op het vizier heeft?

De VVD heeft ook een aantal vragen. Er komen eisen aan de interne organisatie, een positief limitatieve lijst, voorwaarden aan contracten, onderpand en liquiditeitsbuffers. Hoe wordt toezicht gehouden op de nalevering van deze kaders? Wat zijn de criteria op basis waarvan een organisatie wordt gezien als (semi)publiek? Dat is nog onduidelijk. Zorginstellingen bijvoorbeeld opereren op de markt. De overheid zou zich niet moeten mengen in de marktsector. Waarom gaan de kaders hier ook voor gelden? En gaat de minister de positief limitatieve lijst nog uitbreiden? En hoe wordt de Tweede Kamer verder over het definitieve kader geïnformeerd?

Ministers gaan het kader vertalen in sectorale wet- of regelgeving. Het mag wel strenger, maar niet soepeler. De VVD wil dat duidelijk is dat ministeries derivaten niet alsnog kunnen verbieden. Kan de minister dat toezeggen?

Tot slot, Instellingen kunnen nu ook al zelf verzoeken om aangemerkt te worden als niet-professionele belegger waardoor ze een hogere bescherming genieten. Instellingen hebben daarin een eigen verantwoordelijkheid. Financiële instellingen zijn verplicht klanten over die mogelijkheid te informeren. Hoe zit het met de naleving daarvan door de banken? En kan de minister al iets zeggen over het AFM-onderzoek naar derivaten dat in september verschijnt?